Nieuwsberichten

359B0193c Nieuws uit Brussel 30.01.2018

Wat met pensioen meewerkende echtgeno(o)t(e)?

De Vlaamse middenstand is heel vaak nog familiaal georganiseerd: de partner van de bedrijfsleider werkt vaak mee in het bedrijf. Sinds 2003 is daar een verplichte regeling rond, namelijk het statuut van de ‘meewerkende echtgenoot/echtgenote’. Echter, voor partners die in de jaren en decennia daaraan voorafgaand meewerkten in het bedrijf, die geen loon ontvingen en dus ook geen sociale lasten betaalden, werden nooit pensioenrechten opgebouwd. Voor hen dreigt op het einde van hun professionele loopbaan een onaangename verrassing: de jaren voor 2003 worden niet meegeteld in de berekening van het pensioen. Vooral in het geval van een echtscheiding doen zich dus serieuze drama’s voor.

Die problematiek werd me recent voorgelegd door een vrouw die tot haar 39e meewerkte in het tuinbouwbedrijf van haar man en daarnaast ook instond voor de zorg van hun kinderen. Sinds de echtscheiding staat zij er alleen voor en moet ze vaststellen dat ze tot en met 2003 nooit pensioenrechten had opgebouwd. Zij dreigt terug te vallen op een pensioen van +/- 750 euro (wat ver onder de Europese armoedegrens ligt) en een loopbaan van 49 jaar te moeten voorleggen om daar recht op te hebben.

Heel typisch aan de Vlaamse land- en tuinbouwsector is dat ze vooralsnog heel familiaal georganiseerd is. Heel wat partners zitten dus sinds 2003 in het statuut van ‘meewerkende echtgenoot/echtgenote’. Wie voor 2003 al meewerkende echtgeno(o)t(e) was bouwde tot dan geen pensioenrechten op en is in het geval van een echtscheiding ook hetzelfde lot toebedeeld. Er is weet van heel wat gelijkaardige gevallen, ook in de land- en tuinbouwsector.

Om die problematiek aan te kaarten, zowel voor meewerkende echtgenoten in de land- en tuinbouwsector als in andere beroepen, schreef ik de federale ministers van werk (Kris Peeters) en pensioenen (Daniel Bacquelaine) aan.

Onderaan dit artikel kan dat schrijven nagelezen worden.

———————————————-

Geachte minister van werk Peeters
Beste Kris

Geachte minister van pensioenen Bacquelaine
Beste Daniel

Ik mail u beide als Vlaams Volksvertegenwoordiger, commissaris van landbouw, over een problematiek waarvan ik recent op de hoogte werd gebracht.

Het betreft heel wat vrouwen die jarenlang hard gewerkt hebben in het bedrijf van hun echtgenoot, in de meeste gevallen met daar bovenop nog eens de zorg voor de kinderen. Aangezien het maxistatuut van meewerkende echtgeno(o)t(e) pas ingevoerd werd in 2003 en verplicht werd in 2005, kunnen de jaren die voordien werden gepresteerd niet meetellen voor het pensioen. Dat komt omdat er voordien geen sociale bijdragen werden betaald door de personen in kwestie. Ze ontvingen ook geen loon voor hun arbeid, maar hielpen gewoon mee in de zaak. Als er geen loon is, dan zijn er ook geen sociale bijdragen die betaald worden. Dat is veranderd met het systeem van de meewerkende echtgenote, maar dus enkel vanaf 2003. Het probleem is ook dat men om in aanmerking te komen voor een minimumpensioen minstens 30 gewerkte jaren moet aantonen. Dat is vaak een probleem omdat de jaren vóór 2003 dus niet meetellen.
De situaties waar ik het over heb zijn landbouwgezinnen, maar dit geldt uiteraard ook voor andere beroepen.

Dit alles leidt ertoe dat heel wat vrouwen in gelijkaardige situaties slechts heel beperkte eigen pensioenrechten hebben opgebouwd, wat tot schrijnende situaties kan leiden indien er een echtscheiding volgt. Je kan dan heel vaak op niets terugvallen. Uiteraard is er altijd wel nog het laatste vangnet van de IGO, de “inkomensgarantie voor ouderen”, een uitkering voor gepensioneerden die over onvoldoende middelen beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien. De IGO bedraagt 701,72 euro per maand voor samenwonenden en 1052,58 euro per maand voor alleenstaanden.

De minimumpensioenen zijn door deze en de vorige regering sterk verhoogd. Op vijf jaar tijd is er ongeveer 100 euro bijgekomen bij het maandbedrag. Het minimumpensioenen voor de zelfstandigen is gelijkgeschakeld aan dat van de werknemers. Het resultaat van deze maatregelen, maar ook van de maatregelen die mensen stimuleren om langer te werken, is dat het armoederisico bij gepensioneerden de voorbije jaren reeds gedaald is en dat het de komende decennia nog verder zal dalen. Een andere factor in dit dalende armoederisico is de almaar grotere deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt.

Maar dat neemt niet weg dat voor de personen die niet aan een loopbaan van 30 jaar komen, dit geen oplossing biedt. Graag pols ik bij u beide of er stappen worden ondernomen om deze problematiek aan te pakken.

Ik kijk alvast uit naar uw antwoord.

Vriendelijke groeten,
Francesco Vanderjeugd